Bijwerking melden?
Neem dan contact met ons op via:
[email protected]
Een praktisch overzicht van de nieuwe classificatie van hartfalen, het behandelkader en de aanbevelingen voor foundational medical therapy.
De ESC-richtlijnen van 20261 voor de behandeling van hartfalen (HF) actualiseren en vervangen de ESC-richtlijnen uit 2021. Ze introduceren wijzigingen in zowel de classificatie van HF als de terminologie voor behandelingen die door de richtlijn worden aanbevolen.1
Belangrijke ontwikkelingen zijn een vereenvoudigde classificatie op basis van de linkerventrikelejectiefractie (LVEF), de introductie van HF-stadia A-D, en een nieuw kader dat onderscheid maakt tussen foundational medical therapy (FMT), additional medical therapy (AMT) en guideline-directed interventional therapy (GDIT). Samen bieden deze wijzigingen een geactualiseerd kader voor diagnose, behandeling en langdurige begeleiding van patiënten binnen het volledige spectrum van hartfalen (figuuur 1).
Figure 1. Overview of heart failure management across the LVEF spectrum according to the 2026 ESC Guidelines. Source: Køber et al., 2026.
De richtlijnen van 2026 verwijderen de categorie HFmrEF (LVEF 41-49%) en definiëren twee HF-fenotypen:
De ESC merkt op dat patiënten die eerder als HFmrEF werden geclassificeerd klinische kenmerken, uitkomsten, pathofysiologie en behandelresponsen delen met patiënten met HFrEF. Dit ondersteunt hun opname in het uitgebreidere HFrEF-fenotype.
De richtlijnen van 2026 introduceren een nieuwe classificatie van therapieën voor hartfalen, die aansluit bij het groeiende aantal farmacologische, device-en interventionele behandelopties (Figuur 2).
De richtlijnen benadrukken niet alleen dat je FMT start, maar ook dat je de behandeling zonder onnodige vertraging optimaliseert.
Optitreer FMT ten minste elke 1-2 weken, op basis van symptomen, vitale parameters en laboratoriumuitslagen, om de optimale streefdoseringen te bereiken waarvan in gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken werkzaamheid is aangetoond. Dit wordt aanbevolen om het risico op ziekenhuisopname door HF of overlijden te verminderen (klasse I, niveau C).
Optimaliseer FMT met intervallen van 1-2 weken. Baseer dosisaanpassingen op symptomen, vitale parameters en laboratoriumuitslagen en streef naar evidence-based streefdoseringen.
Geleidelijke stopzetting kan alleen worden overwogen bij zeer zorgvuldig geselecteerde patiënten die asymptomatisch zijn en bij wie de LV-functie, het LV-volume en de natriuretische-peptidespiegels volledig zijn genormaliseerd na specifieke behandeling van een reversibele oorzaak van HF. Dit vereist frequente klinische, laboratorium- en beeldvormende controle (klasse IIb, niveau C).
De richtlijnen benoemen een onjuiste interpretatie van veranderingen in de nierfunctie, met onnodige stopzetting of dosisverlaging als gevolg, als een belangrijke oorzaak van onderbehandeling met FMT bij HFrEF. Ze stellen dat patiënten met HFrEF en chronische nierschade FMT moeten blijven gebruiken, met bewijs voor gunstige e ecten op zowel renale als cardiovasculaire eindpunten.
Bij acute nierschade en een eGFR <15ml/min/1,73m2 kan een tijdelijke onderbreking van MRA’s, ARNI’s/ACE-remmers/ARB’s en SGLT2-remmers nodig zijn.
Ernstige hyperkaliëmie kan eveneens een tijdelijke aanpassing noodzakelijk maken. Afhankelijk van de behandeling kunnen kaliumwaarden >5,5 of >6 mmol/l aanleiding zijn om MRA’s en/of ARNI’s/ACE-remmers/ARB’s tijdelijk af te bouwen of te stoppen.
Asymptomatische of verdraagbare hypotensie mag niet automatisch leiden tot afbouw of stopzetting van FMT. Volgens de richtlijnen kan dit juist aanleiding zijn om de behandeling met diuretica opnieuw te beoordelen.
Referentie:
1. Køber, L., et al. (2026). 2026 ESC Guidelines for the management of heart failure. European heart journal. Advance online publication